include_once("common_lab_header.php");
Excerpt for De dryade van Reros by , available in its entirety at Smashwords

De dryade van Reros


Published by Frans Bonnier at Smashwords


Copyright 2018 by Frans Bonnier

Cover: Frans Bonnier

Copyright coverfoto: Pixabay

ISBN: 9780463441206


Smashwords Edition, License Notes


Thank you for downloading this ebook. This book remains the copyrighted property of the author, and may not be redistributed to others for commercial or non-commercial purposes. If you enjoyed this book, please encourage your friends to download their own copy from their favorite authorized retailer. Thank you for your support.


Dank u voor het downloaden van dit e-book. Dit boek blijft eigendom van de auteur en mag niet worden verspreid voor commerciële of niet commerciële doelen. Vond u dit verhaal leuk? Stelt u dan a.u.b. vrienden en/of familie voor om een eigen exemplaar te downloaden.



De dryade van Reros


Zwoegend joeg Sylvan de spade voor de zoveelste keer de grond in. Een blaar prikte pijnlijk in zijn handpalm en het zweet gutste van zijn voorhoofd. Gelukkig kwam hij nu in de schaduw van het kasteel. Nu ja kasteel. Zo noemde zijn meester het. Het was eigenlijk niet meer dan een stevig huis met een sombere zwartstenen toren in een ommuurde tuin.

‘Gebruik toch je magie,’ had meester Terranus hem glimlachend ingewreven. Vervolgens was hij vertrokken.

Hij probeerde nogmaals wat zijn meester hem vanochtend had voorgedaan. Hij wees met zijn vinger naar de grond en sprak: ‘Keer om.’ Er gebeurde niets. Natuurlijk niet. Dus spitte hij moeizaam verder.

Liefst zou hij de tovenaar verlaten en zijn eigen leven gaan leiden, maar waar moest hij heen? Het kasteel was omgeven door het Woud van Reros en het dichtstbijzijnde dorp was meer dan een week lopen. Bovendien zou de tovenaar hem nooit laten gaan. Hij kookte voor hem, waste zijn kleren, leegde meermalen per dag de stinkende toiletemmer en onderhield de tuin en dat alles in ruil voor een paar schamele lessen in magie.

Volgens de tovenaar beschikte hij over dezelfde magische krachten als hij. Zelf geloofde hij dat allang niet meer. Als hij begaafd zou zijn, dan zou hij daar na al die jaren toch wel iets van gemerkt moeten hebben?

Het krassen van een raaf trok zijn aandacht. Hij keek op en schrok. De grote vogel kwam recht op hem afgedoken. Instinctmatig liet hij zijn spade vallen en kruiste hij zijn armen voor zijn gezicht. Het beest vloog vlak voor hem weer omhoog en liet een rol vallen in het keurig onderhouden bed met brandnetels. Daarna verdween hij met een sierlijke boog over de muur het woud in.

Het viel niet mee de rol uit de brandnetels te vissen zonder het gewas te beschadigen, maar die paar rode bultjes op zijn arm konden er ook nog wel bij. Voorzichtig manoeuvreerde hij zijn hand tussen de stengels door en wist hij de rol te pakken te krijgen.

Het was een opgerold gedroogd waterlelieblad. Zijn naam stond erop met sierlijke rode letters. Een brief voor hem? Wie zou hem nu een brief sturen en nog wel op het hartvormige blad van een waterlelie? Nieuwsgierig brak hij de lange tanige grasspriet waarmee de rol sierlijk was dichtgestrikt.

Het bericht was kort: "Beste Sylvan, je magie is veel groter dan je denkt. Je kunt een meester worden in de Zachte Kracht. Ga naar het kasteel in het moeras. Met mijn hulp zullen je krachten tot wasdom komen. Ik wens je moed en wijsheid toe."

... Geen afzender.

Wie had deze brief geschreven? Zijn meester zelf? Onwaarschijnlijk. Zijn meester had hem verboden het woud te betreden; volgens hem was het woud vol gevaren. Toch trok het woud hem aan. Was het werkelijk zo gevaarlijk, of wilde zijn meester hem gewoon hier houden om hem als zijn sloofje te kunnen blijven gebruiken? Hij keek verlangend naar het woud achter het hek

Wat was de Zachte Kracht?

Er stond ook een plattegrond op het blad getekend. Die was weinig gedetailleerd. Een stippellijntje liep vanaf zijn huis door het woud en hield op bij het uitgestrekte moeras dat het woud aan de noordzijde begrensde. Dat moest een pad zijn. Midden in het moeras stond het kasteel op een eiland getekend. De plattegrond gaf geen pad aan naar het eiland.

Hoe moest hij bij het kasteel komen? Het moeras was levensgevaarlijk. Zompige poelen konden je opslokken en er hing vrijwel altijd een dikke mist, zodat je er gemakkelijk verdwaalde. Bovendien was het slot berucht. De tovenaar Cornelius Eikenboom had er lang geleden gewoond, maar die was op een dag zomaar verdwenen. Niemand had er sindsdien nog gewoond. Het stond bekend als het kasteel van de verdwenen tovenaar.

Misschien was het maar beter de brief te negeren. Teleurgesteld spitte hij verder, maar het bleef knagen. Weer keek hij naar het hek. Het was alsof het woud hem riep: ‘Kom Sylvan, kom ...’

Zou hij toch ...? Het was een kans. Hij kon in ieder geval het pad volgen. Misschien liep het toch door naar het kasteel. Als het bij het moeras ophield, kon hij altijd omkeren. Meester Terranus zou het vast niet goed vinden, maar die kwam pas morgen weer terug. Een wandeling deed hem vast geen kwaad. Waarschijnlijk was hij nog voor de avond terug. Hij pakte hij zijn rugzak met proviand en vertrok.


Zijn voeten maakten hem na enige uren duidelijk, dat hij niet gewend was aan lange wandelingen. Hij was gelukkig al een behoorlijk stuk gevorderd en hij had geen blaren gekregen in zijn vormeloze en uitgelopen oude schoenen. Zien kon hij het moeras nog niet, maar hij kon al vaag de rotte geur ruiken.

Even verderop rook hij bloemengeur in plaats van de geur van verrotting. Hij keek om zich heen. Wat was het hier prachtig. De zon maakte een groen mozaïek van het lover en de oevers van de beek waren bedekt met talrijke bloeiende planten. Vlinders en bijen speelden bloempjeverwissel. Een heldere beek met een kleine waterval zorgde voor muzikale begeleiding. Hij liep naar de beek om wat te drinken en zijn voeten te koelen. Wat was het heerlijk om vrij te zijn!

Tussen de bloemen langs de beek vond hij een klein bosliefje. Het plantje verkommerde een beetje tussen het opschietende groen. Hij streelde de bloemblaadjes en voelde zijn liefde naar het tere plantje uitstralen. Daarna sneed hij een fluitje uit een verdorde rietstengel en begon erop te spelen. De fluittonen mengden zich harmonieus met het geruis van de beek en het geritsel van de bladeren. Ook enkele zangvogels deden mee aan het concert.

Hij keek naar het rode zonlicht. Oei, het was al laat. Als hij voor donker weer thuis wilde zijn, moest hij nu omkeren. Nee, dat zou hij niet redden. Er zat niets anders op dan de nacht op deze plaats door te brengen. Dus rolde hij zijn mantel uit en maakte een klein kampvuur. Daarop roosterde hij zijn meegebrachte knollen.

De stilte van de avond viel over het woud en Sylvan luisterde met gesloten ogen naar de wegstervende geluiden.

Toen hij zijn ogen weer open deed, zat ze tegenover hem. Hij had de jonge vrouw met het geelgroen gekrulde haar eerder gezien aan de rand van de tuin, in een opvallende groene met vlinders versierde mantel. Dat leek toen een droom. Hij had verbaasd met zijn ogen geknipperd en toen hij weer keek, was ze verdwenen.

Ze droeg hetzelfde nauwsluitende groene pak. Alleen zaten er minder vlinders op. Tot zijn verbazing zag hij dat ook haar gezicht groen was. Hij sloot zijn ogen opnieuw voor enkele tellen en deed ze weer open.

Ze zat er nog.

‘Ik ben net zo echt als de vorige keer,’ zei ze. Ze glimlachte naar hem.

‘Wie ben jij?’ vroeg hij bedeesd. Een beetje eng was ze wel.

‘Ik ben Alchemilla. Ik ben een dryade.’

Sylvan wist even niet wat hij moest zeggen. Ondanks haar groene gezicht was ze bijzonder knap. Hij kon niet verhinderen dat zijn ogen langs haar lijf gleden. De stof van haar pak zat strak om haar lijf. Hij kon geen kreukeltje ontdekken. De vlinders bedekten haar intieme delen. ‘Wat een prachtig pak draag jij,’ zei hij.

Ze lachte nu hardop en door het schudden vlogen de vlinders even op.

Hij durfde nauwelijks meer te kijken. Ze droeg geen pak. Ze was naakt! Haar huid was groen.

Alchemilla keek hem verbaasd aan. ‘Hoe doe je dat?’

‘... Hoe doe ik wat?’

‘Hoe maak je jouw hoofd zo mooi rood?’

Zijn hoofd werd nog iets roder.

‘Wat mooi,’ zei ze enthousiast. Teleurgesteld zag ze de rode kleur vervolgens weer langzaam uit zijn gezicht verdwijnen.

‘Wat kom je hier doen?’ vroeg Sylvan.

Haar wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Wat ik hier kom doen? Jij bent toch naar mij gekomen en je hebt me zelf geroepen?’

Hij keek haar niet-begrijpend aan.

‘Je streelde het bosliefje en gaf het je kracht en je liefde en vervolgens stuurde je die bezielde fluittonen naar mij toe. Ik heb je al vaker iets soortgelijks voelen doen. Ik ben verbonden met alles wat er in deze bossen leeft. De energie rond jouw persoon trekt mij aan. Jij beschikt over magische krachten en kunt die energie duidelijk overdragen op planten.’

‘Heb jíj mij die brief geschreven?’

‘Ja, ik kan je helpen je krachten verder te ontwikkelen. Wil je dat ik dat doe?’

Zou hij echt energie aan planten kunnen geven? Het zou verklaren waarom de kasteeltuin zo goed gedijde onder zijn handen. Ze keek hem nog steeds vragend aan. O ja, ze had hem wat gevraagd. ‘Moeten we dan naar het kasteel van de verdwenen tovenaar?'

Ze keek hem met grote ogen aan. ‘Waarom noem je dat zo?’

Sylvan trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik heb gehoord dat er een tovenaar heeft gewoond en dat hij is verdwenen,’ zei hij schaapachtig.

‘De laatste keer dat ik er was, was de tovenaar helemaal niet verdwenen. Ik zal je morgen naar hem toe brengen, maar nu moet ik gaan,’ sprak ze met teleurstelling in haar stem. ‘De zon gaat verdwijnen en zonder de energie van de zon moet ik opgaan in de planten en dieren om je heen. Zo zal ik vannacht toch bij je zijn. Morgenochtend zul je me weer zien.’ Ze keek langs hem heen tussen de bomen door naar de zon.

Sylvan keek om en zag de zon de horizon raken. Toen hij weer voor zich keek was ze verdwenen.


Hij werd vroeg wakker. Waar was hij? O, ja in het woud. Stijf van de kou stond hij op. De zon was nog maar net op en vanuit het moeras trokken nevelslierten door het bos. De geur van verrotting rook hij nauwelijks meer. Zijn neus was blijkbaar aan de geur gewend. Hij liep naar de beek om zich te wassen.

Verbaasd keek hij naar het bosliefje. Het was een krachtige plant geworden en de bloem was dominant aanwezig tussen de andere planten. Een zonnestraal prikte onder het bladerdek door en raakte het bloemetje. Het bosliefje leek te bruisen van de energie. Was dit het kwetsbare plantje dat hij gisteren had gezien? Zou hij dit hebben gedaan?

‘Dit komt door jouw kracht en jouw liefde,’ bevestigde een stem zijn gedachten.

Verschrikt keek hij om, recht in de bruingroene kijkers van Alchemilla. Hij was blij haar weer te zien, maar hij vond haar ook nog steeds een beetje eng. ‘Je hebt een aantal malen mijn kracht en mijn liefde genoemd, wat bedoel je daar precies mee?’

Alchemilla trok haar wenkbrauwen op. ‘Heeft meester Terranus dat nooit uitgelegd?’

‘Hij leert mij de kracht uit de aarde aan planten door te geven. Via mijn blote voeten zou ik de kracht kunnen opzuigen en via mijn vingers zou ik die aan de planten kunnen doorgeven. Hij zegt dat ik daarin succesvol ben, maar eigenlijk denk ik dat de planten het ook zonder mijn inspanningen wel gered zouden hebben.’

Alchemilla lachte. ‘Meester Terranus, is een typische aardetovenaar en probeert jou te leren wat zijn eigen kracht is. Planten zijn natuurlijk bij uitstek in staat om zelf kracht uit de aarde te halen. Jouw kracht ligt juist in je hart. Je hebt liefde voor de planten en dieren om je heen en je kracht is, dat je die liefde op hen kunt overdragen. In die zin lijk je op mij. Die liefde wordt ook wel de Zachte Kracht genoemd. Toch is die zogenaamde Zachte Kracht de sterkste van alle krachten. Het is de energie, die doet groeien en bloeien.’

‘Heeft die kracht in zo’n korte tijd het bosliefje zoveel versterkt?’ vroeg Sylvan nog niet geheel overtuigd.

‘Je liefde en kracht zijn veel groter dan je denkt,’ zei Alchemilla. ‘Binnenkort zul je beiden nog veel beter kunnen gebruiken. Vandaag zal ik je naar het slot van de tovenaar leiden.’

‘Eigenlijk twijfel ik of ik daar wel naartoe wil gaan. Ik ken je nauwelijks en je bent behoorlijk vreemd voor mij. Hoe weet ik of ik je kan vertrouwen?’

Teleurgesteld boog ze haar hoofd. ‘Ik heb je de brief niet zomaar geschreven. Om eerlijk te zijn heb ik je hulp nodig.’

‘Mijn hulp?’

‘Ja, de tovenaar is ziek en jij kunt hem genezen.’

‘Echt waar?’

‘Ja, daar ben ik van overtuigd. Jouw kracht is groot genoeg. Natuurlijk snap ik dat ik je overdonder. Ik zal je niet dwingen me te volgen, maar als je me niet helpt, zal hij binnenkort sterven.’ Ze keek opeens indroevig.

‘... Goed, dan zal ik met je meegaan.’

‘Je bent echt een lieverd! Ik zal je door het moeras leiden. Kom.’

Hij volgde haar over het smalle bospad. Geleidelijk aan werd het bos minder lieflijk en werd de geur van verrotting sterker. Het pad daalde langzaam en de grond werd steeds vochtiger. Ze klommen over halfvergane boomstammen, waarop een scala aan paddenstoelen groeide. De zon scheen eerst nog flets door de nevel en ging tenslotte geheel schuil achter de dikke mist.

Opeens hielden de bomen op en waren er alleen nog riet, biezen en laag begroeide drassige stukken grond tussen modderige poelen, waarin gasbubbels gestaag omhoog kwamen. Ver kijken kon hij niet. In de mist was het zicht hoogstens vijftig meter. Het pad eindigde hier. Hoe konden ze verder gaan?

Alchemilla stopte voor een van de modderige poelen en draaide zich naar hem om. ‘Je kunt je schoenen maar beter uittrekken. Af en toe zullen we in de modder zakken en een schoen kan dan gemakkelijk blijven steken. Bovendien zullen we ons pad uit de planten roepen. Onderweg zullen we contact met hen moeten onderhouden en dat gaat het best met blote voeten.’

Hij trok zijn schoenen uit en deed ze in zijn rugzak. Hij keek nieuwsgierig naar Alchemilla. Een pad uit de planten roepen?

Ze draaide zich om naar de poel, hief haar handen en begon te zingen. Het water begon harder te bubbelen en hij zag het oppervlak bewegen. Het werd minder glad en langzaam vormde zich een pad van kroos. Het zag er niet erg stevig uit. Ze richtte zich weer tot hem. ‘Nu kun je me helpen. Zet je handen en voeten op het kroos, schenk het je liefde en vraag het ons te dragen.’

Hij deed zijn best, hoewel hij voor het kroos niet de liefde kon voelen die hij voor het bosliefje had gevoeld. Na een flinke inspanning vond hij het wel genoeg. Hij deed een stap naar voren en verdween tot zijn middel in de drek.

Alchemilla schaterde van het lachen. ‘Sylvan toch, je liefde is sterk, maar je weet toch dat de zachte kracht tijd nodig heeft? Pas tegen de middag zal het kroos sterk genoeg zijn om ons te dragen. Het bosliefje had toch ook tijd nodig om op jouw kracht te reageren?’

Met moeite wist hij zich uit zijn benarde positie te bevrijden. Zijn broek zag zwart van de modder. Er zat niets anders op dan zijn broek uit te trekken en het vod schoon te maken met het water uit de poel. De meeste modder ging er wel af, maar de broek bleef smoezelig, was kletsnat en de geur deed denken aan de toiletemmer van zijn meester. Misnoegd trok hij het vieze natte vod weer aan. Dat ging niet gemakkelijk.

Ze keek hem verwonderd aan. ‘Waar heb je die broek voor nodig? Je kunt hem toch gewoon achterlaten?’

Hij voelde zich weer kleuren terwijl hij zijn broek dicht deed.

Gebiologeerd staarde ze wederom naar zijn blozende gezicht. ‘Ik heb wat vruchten voor je,’ zei ze en ze gaf hem een handvol bosbessen en wat kersen.

Met de onaangename geuren smaakte het fruit niet zo heel lekker, maar hij merkte dat hij best wel trek had. De volle maag verbeterde zijn humeur aanzienlijk.

Alchemilla was zichtbaar blij dat hij weer wat vrolijker werd en probeerde hem nog meer op te vrolijken. ‘Ik zal zorgen voor wat muziek uit de natuur,’ zei ze enthousiast en even later was hij omringd door een wolk hoogzoemende muggen.

Woest sloeg hij om zich heen. ‘Laat ze weggaan!’ brulde hij.

Met een handgebaar liet Alchemilla ze verdwijnen. ‘Vind je hun gezoem niet mooi?’ vroeg ze beteuterd. ‘Hun gezang is zo hoog en hun vleugeltjes zijn zo teer. Waarom hou je niet van hen?’

Hij keek haar verbijsterd aan. ‘Het zijn stekende insecten die kriebelende bulten geven. Steken ze jou niet?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Mij steken ze nooit, maar ze maken wel grappige rode bultjes op jouw huid.’

‘Daar ben ik anders helemaal niet blij mee,’ zei hij, terwijl hij zijn best deed om niet aan de bultjes te krabben.

Alchemilla glimlachte alweer. ‘Jammer, ik vind die bultjes je heel charmant staan.’

Sylvan zuchtte diep.


Zwijgend liep hij achter Alchemilla aan over het kroospad. Het was nog steeds mistig, maar hij voelde de middagzon door de nevel schijnen. Zijn voeten waren inmiddels gewend aan het zachte kroos. Het liep eigenlijk wel lekker. Het was alsof het kroos voortdurend zijn voeten masseerde, waardoor de vermoeidheid van de vorige dag uitbleef. Hij voelde een lichte teleurstelling toen ze de poel waren overgestoken en ze hun weg vervolgden over modderige stroken en kraggen. Rietstengels konden af en toe venijnig scherp zijn en even overwoog hij zijn schoenen weer aan te trekken. Voor hem scheen Alchemilla nergens last van te hebben, dus liep hij ook maar door.

Na een paar uur lopen zag hij de contouren van een heuvel opdoemen in de mist. ‘Is daar het slot van de tovenaar?’ vroeg hij hoopvol.

Alchemilla knikte. ‘Daar ligt het einde van onze voettocht.’

De heuvel werd snel beter zichtbaar. Hij keek of hij iets kon ontdekken van een slot, maar hij zag alleen begroeiing op de heuvel. Een majestueuze eik trok zijn aandacht. De boomstam was zo dik, dat er wel tien mensen nodig waren om de boom te omspannen. De boom was echter niet gezond. Hij droeg veel minder bladeren dan hij zou moeten dragen en de blaadjes die hij had, waren klein en gelig.

‘Hallo Quercus,’ sprak Alchemilla met zachte stem.

Hij vond het niet vreemd, dat ze een boom aansprak. Ze was immers verbonden met alle planten en dieren van Reros. Vreemder vond hij dat ze antwoord kreeg.

‘Hallo lieve dochter, fijn dat je me weer eens op komt zoeken!’ De stem klonk oud en broos. Uit de holle stam van de eik kwam een oud mannetje tevoorschijn. Hij zag er gelig uit en alles wat hij droeg was een rond bruin petje.

‘Hoe gaat het?’ vroeg Alchemilla bezorgd.

Het mannetje kuchte en glimlachte zwak naar haar. ‘Ik ben er nog, maar ik voel mijn krachten afnemen. Ik zal er niet lang meer zijn, maar als ik jou zie voel ik me altijd direct een stuk beter. Wie heb je met je meegenomen?’

‘Dit is Sylvan, hij is sterk in de Zachte Kracht en ik hoop dat hij je weer beter kan maken.’

Sylvan stapte op Quercus af en wilde hem een hand geven, maar die stond alleen maar heel verbaasd naar hem te staren.

‘Kun jij ons zien? Mens noch tovenaar kan ons zien. Hoe kan het dat jij ons wel kunt zien en zelfs met ons kunt praten?’

Sylvan wist daar geen antwoord op te geven. ‘Ik kan jullie zien en horen,’ bevestigde hij. ‘Bent u de verdwenen tovenaar?’ vroeg hij maar direct.

‘Ik ben niet verdwenen,’ antwoordde het mannetje, ‘maar het zal niet lang meer duren of ik zal verdwijnen. Ben jij een plantendokter? Mag ik je hand even vasthouden?’

Hij stemde toe en Quercus hield zijn hand enige tijd vast. Hij keek hem vervolgens verrast aan. ‘Je bent inderdaad sterk in de Zachte Kracht!’ riep hij blij. ‘Kom, help mijn eik genezen!’

Sylvan liep naar de eik en legde zijn handen tegen de stam en zette zijn blote voeten plat op de grond. Met alles wat hij had gaf hij de boom zijn liefde en probeerde hij tegelijkertijd energie uit de aarde naar de boom te leiden, zoals hij van meester Terranus had geleerd. Na enige tijd hield hij op. Zijn hoofd zag rood van de inspanning en Alchemilla glimlachte enthousiast naar hem.

‘Ik denk dat je goed werk hebt geleverd,’ zei Quercus, ‘maar je kracht zou nog veel groter zijn, als je erbij zou zingen.’

‘Dat is inderdaad waar,’ beaamde Alchemilla. ‘Het is nu avond en Quercus en ik zullen zo dadelijk opgaan in het leven om ons heen, maar morgen zal ik je een krachtlied leren; er staan er nog meer in het Boek van de Zachte Kracht.’

‘Boek van de Zachte Kracht?'

‘Ja, mijn vader heeft het zelf geschreven. Het staat in zijn kasteel. Ik raad je van harte aan dat boek vanavond te lezen.’

‘Ik zal je erheen brengen,’ zei Quercus. ‘Dan zal ik je meteen je slaapplaats voor vannacht wijzen.’ Hij stond op en Sylvan volgde hem naar de top van de heuvel. Tussen het struikgewas was een kring van stenen te zien. ‘Het is nauwelijks meer zichtbaar, maar je bevindt je nu op de toren van mijn kasteel. De kantelen zijn de enige stenen, die nog zichtbaar zijn. De rest van mijn kasteel heb ik door planten laten begroeien.’

‘Planten groeien toch niet op stenen?’

‘Planten groeien inderdaad niet op stenen, maar planten groeien wel op restanten van andere planten en in enkele tientallen jaren tijd hebben ze zich vanaf de bodem opgestapeld, tot het kasteel geheel was bedekt. Ik heb ze daar wel een beetje bij geholpen.’

Quercus opende een luik in de grond en Sylvan zag een wenteltrap in het donkere gat verdwijnen. Hij volgde Quercus naar beneden. De trap werd snel donkerder. Quercus haalde een dikke kaars uit een kastje aan de muur en gaf die aan hem. ‘Deze kaars is dik genoeg om een week te branden,’ zei hij.

Sylvan vroeg zich af, hoe hij hem aan moest steken, maar na een gebaar van Quercus begon hij spontaan te branden.

‘Beneden in het huis vind je een goed bed. Als je wilt kun je ook nog wat boeken in de leeskamer raadplegen. Het Boek van de Zachte Kracht staat er ook en zoals Alchemilla al zei, kan dat een heel nuttig boek voor jou zijn. Ik wens je een goede nachtrust en laat mijn huis voorlopig ook het jouwe zijn.’ Quercus liep weer naar boven en verdween.

Sylvan volgde de donkere vochtige wenteltrap naar beneden. Daarbij kwam zijn gezicht opeens in een groot spinnenweb terecht. De dikke bewoner liet zich vallen en maakte zich snel uit de voeten. Daarna hield Sylvan één hand hoog voor zich uit om niet nog een keer met zijn gezicht door een web te gaan. In de andere hand hield hij de kaars. Beneden aan de trap stond hij voor een zware houten deur. Hij deed de deurklink naar beneden en duwde tegen de deur. Die zwaaide piepend open op de bruingeroeste scharnieren.

Tot zijn verrassing leek het kasteel als twee druppels water op het kasteel van zijn meester. Woonkamer, keuken, leeskamer en slaapkamers waren er op dezelfde plaats te vinden. De werkkamer van Quercus bevond zich ongetwijfeld achter de deur halverwege de torentrap. In de leeskamer vond hij het Boek van de Zachte Kracht, alsof het voor hem was klaargezet. Hij bladerde erdoorheen. De perkamenten bladzijden waren met de hand beschreven.

Hij vond een hoofdstuk met krachtliederen. Helaas kon hij het bijgeschreven notenschrift niet lezen, maar de teksten vond hij poëtisch en mooi. Hij vond ook een omschrijving van de Zachte Kracht: "De Zachte Kracht van de liefde is een verbindende kracht, die zijn oorsprong vindt in het hart. Zij is op haar sterkst als zij de krachten van aarde, water, lucht, vuur en geest kan verbinden." Als voorbeeld werd een bloeiende plant genoemd. Met haar wortels in de aarde en haar bladeren in de lucht was zij gevuld met water. Het vuur van de zon zorgde voor bloemen, die nectar gaven aan de bijen en later vruchten leverden aan de vogels. Hij vroeg zich wel af of een plant ook een hart had. Hij zou het de volgende dag aan Quercus vragen.

Tot zijn geluk vond hij in een van de slaapkamers een hemelbed met een muskietennet. Het was jammer voor Alchemilla, maar hij was blij dat hij de volgende dag waarschijnlijk minder charmante rode bultjes zou hebben dan ze zou willen. Moe kroop hij in bed en schermde zich zo goed mogelijk af met het muskietennet. De kaars liet hij brandend op een kastje staan. Die zou hij anders 's ochtends niet meer aan kunnen steken en in het totaal overgroeide kasteel was het natuurlijk ook overdag aardedonker.


De volgende ochtend liep hij over de donkere wenteltrap weer naar boven. Het stralende zonlicht deed pijn aan zijn ogen zodra hij het luik opende; de top van de toren stak net boven de mist uit die het moeras bedekte.

Hij keek naar de grote kruin van de eik en het viel hem op dat de boom er beter uitzag dan gisteren. De blaadjes leken groener en hij straalde meer kracht uit. Hij liep ernaar toe en vond Alchemilla en Quercus bij de ingang van de holle stam. Ook Quercus oogde vitaler. Hij was nog steeds een oud mannetje, maar leek toch iets jonger en sterker geworden.

Enthousiast werd hij begroet. ‘Ik voel me als herboren!’ zei Quercus met een stralende lach.

‘Morgen zul je je nog beter voelen!’ zei Alchemilla, ‘maar eerst gaan we smullen met wat ik voor jullie heb meegebracht.’ Ze liet de bosaardbeien, frambozen en bosbessen zien die ze had verzameld.

‘Die smaken vooral lekker met geroosterde beukennootjes,’ zei Quercus. Vervolgens maakte hij een klein kampvuur en vroeg Sylvan om een koekenpan uit de keuken van het kasteel te halen. Daarin roosterde hij een flinke hoeveelheid gepelde beukennootjes.

Sylvan liet zich het ontbijt goed smaken en genoot vooral van de beukennootjes. Het was alsof hij de kracht van een robuuste beuk in de nootjes kon proeven.

‘Dit zijn geen gewone beukennootjes,’ zei Quercus trots. ‘Dit zijn nootjes van de rode beuk!’

Na het ontbijt nam Alchemilla hem mee naar de top van de heuvel. ‘Ik zal je hier een krachtlied leren,’ zei ze. ‘Op deze plaats klinkt het beter dan in de mist.’ Ze begon te zingen en Sylvan voelde de kracht van het lied door zijn lichaam gaan. Ze moedigde hem aan om mee te zingen.

Na een aantal malen oefenen, begon hij het lied onder de knie te krijgen. Zelf zingen werkte beter dan naar het lied luisteren. ‘Ik kan de kracht van het lied heel duidelijk voelen!’ zei hij verwonderd.

Alchemilla straalde. ‘Kom, dan geven we samen onze kracht en liefde nogmaals aan de eik.’ Als een jong meisje dartelde ze van de heuvel af.

Sylvan volgde haar naar beneden en verbond zich net als de vorige dag met de eik. Samen zongen ze.

Quercus glom van tevredenheid. ‘Deze keer hoef ik niet eens tot morgen te wachten. Ik voel me direct al beter!’ Hij richtte zich tot Sylvan. ‘Ik ben je bijzonder dankbaar en zal je helpen een groot tovenaar te worden. Met mijn hulp zul je transformeren in een van de grootste experts van de Zachte Kracht die er op aarde te vinden is. Volg me.’

Sylvan volgde hem over het eiland naar een plaats waar de grond iets opliep en de plantengroei laag was. Omdat de plek wat hoger lag, kon hij de warmte van de zon door de mist heen voelen.

‘Dit is een uitstekende plek,’ zei Quercus tevreden en hij vroeg Sylvan om een kuil te graven. Hij gaf hem een graafstok. ‘We zullen alle elementen nodig hebben,’ zei hij, ‘dus terwijl jij graaft, ga ik een emmer water halen.’

Sylvan begon te graven en Alchemilla hielp hem. Ze hadden al een flinke kuil gegraven voor Quercus terugkwam. Er stond iets te gebeuren, want Alchemilla wierp voortdurend verwachtingsvolle blikken naar hem. Hij was benieuwd wat er zou volgen.

‘De Zachte Kracht is op haar sterkst in de verbinding van de krachten van aarde, water, lucht, vuur en geest,’ legde Quercus hem uit. ‘Wij zullen al deze krachten verbinden en optimaliseren.’ Hij vroeg Sylvan in de kuil te gaan staan en schepte de kuil vervolgens dicht.

Verwonderd stond Sylvan tot zijn knieën in de grond.

‘Aardkrachten zijn groter met de voeten in de aarde, dan met de voeten op de aarde,’ verklaarde Quercus.

Hij voelde een grote kracht via zijn voeten in zijn lijf stromen. Quercus had gelijk!

Quercus ging verder. ‘Nu moet je niet schrikken, want ik ga deze emmer water over je heen gooien. Het water is niet koud, want ik heb het net even boven het vuur verwarmd. Concentreer je op de verbonden krachten van het water en de aarde.’

Sylvan kreeg de emmer water over zich heen en voelde hoe het water de grond nog steviger om zijn voeten deed aansluiten. De kracht die in zijn lijf stroomde nam merkbaar toe.

Quercus hief een krachtlied aan en Alchemilla begon met Quercus mee te zingen. Ze spoorde Sylvan enthousiast aan om ook mee te zingen. Tot zijn verbazing trok de mist plaatselijk op en kwam hij in warm zonlicht te staan. Dampslierten stegen op uit zijn natte kleren. Hij voelde nu een geweldige kracht in zich komen.

Quercus begon te spreken. ‘In verbinding met aarde, in verbinding met water, in verbinding met lucht, in het vuur van de zon en in de geest van het krachtlied, laat de zachte kracht van de liefde ons helpen bij de transformatie van Sylvan.’ Hij vroeg Sylvan zijn ogen te sluiten en zich te concentreren op de liefde in verbinding van alle krachten. Daarna zong hij samen met Alchemilla weer verder.

Sylvan hield zijn ogen gesloten. Hij voelde de liefde krachtig stromen en voelde zich vreemd licht worden. Hij deed zijn ogen pas weer open, toen hij Alchemilla een vreugdekreet hoorde slaken.

‘Jaaah! Het is gelukt! Je bent prachtig!’

Het eerste wat hij zag was een jonge rode beuk met zijn kleren aan. Toen keek hij naar zichzelf en zag, dat hij een dieprode huid had en naakt was. Vreemd genoeg schaamde hij zich totaal niet voor zijn naaktheid. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij totaal verbijsterd.

Alchemilla omhelsde hem. ‘Je bent een dryade geworden, het meest liefdevolle wezen dat er bestaat!’

‘Ben ik dan niet meer gewoon Sylvan?’ vroeg hij onthutst.

‘Je bent ook nog wel een beetje Sylvan, maar je dryadennaam is Fagus!’ antwoordde ze met een verliefde blik, terwijl ze danste van vreugde.


###


Over de schrijver


In 2012 ben ik begonnen met wat ik al lang van plan was: het schrijven van een serie fantasyromans. Ik tracht mijn vaardigheid te vergroten door deel te nemen aan schrijfwedstrijden. De dryade van Reros heette oorspronkelijk De verdwenen tovenaar. Het was het eerste verhaal waarmee ik meedeed aan Fantastels in 2014. Ik dank Jacqueline Lankhorst, mijn ouders, Django Mathijsen, Roselynd Randolph en de mensen op het proefleesforum van Schrijven Online voor hun commentaar op dit verhaal.


Frans (Franciscus Johannes Martinus) Bonnier




Ander werk van F.J.M. Bonnier


De poortwachter: ISBN: 9780463440766, https://www.smashwords.com/books/view/892497


Van de ridder, de monnik en de heks. In: Zwaarden van knoflook. Godijn publishing, 2015, ISBN 978-94-92115-04-1.


Download this book for your ebook reader.
(Pages 1-16 show above.)